CHRISTEN ZIJN NU: van Vilincar naar Kwintsheul

PDF Afdrukken E-mail
dinsdag 03 november 2009
H.Andreaskerk, Kwintsheul "Hoe moeten we eigenlijk de taak van de vrijwilliger verstaan in de huidige en toekomstige nederlandse kerk? We kunnen het ook anders vragen: hoe zal de kerkopbouw zijn in de nabije toekomst van Nederland? " Deze en vele andere zaken kwamen voor het voetlicht in een zeer boeiende inleiding die pater Leo van Marrewijk , geboren Heulenaar, hield tijdens de brede parochievergadering in de Andreaskerk te Kwintsheul.
Voor wie er niet bij was ( u heeft echt wat gemist !! ) volgt hier de bijdrage van pater Leo.

 
Het moet ongeveer vijfentwintig jaar geleden zijn geweest dat ik een heel bijzondere geloofs- en kerkervaring beleefde.
Ik was naar Arica gevlogen, de noordelijkse stad van Chili, meer dan tweeduizend km van Santiago, op de grens met Peru. Arica ligt aan zee; landinwaarts is het meest woestijn buiten de enkele valleien die een beetje water hebben. Het was begin october. In het hotel las ik in de krant dat op 7 october het feest van O.L. vrouw van de Rozenkrans zou gevierd worden in Vilincar en dat er veel religieuze dansgroepen werden verwacht, zowel uit Arica en omstreken, als ook uit Peru en uit Bolivia. Ik deed eerst enkele navorsingen en besloot erheen te gaan.

Op de eerste plaats was het belangrijk te weten dat Vilincar in de woestijn ligt, een gehucht in een vallei waar een klein riviertje stroomt, dat zich verderop in de woestijn verliest. Het ligt op 72 km van Arica; zestig km kan je met een voertuig afleggen en de laatste 12 km moet iedereen lopen, want er is niets meer dat een voetpad.  Men kan er ook te paard of muilezel komen. Om de hitte van de dag te vermijden had men mij aangeraden ’s nachts te reizen; dat veel mensen dat doen. Ik besloot om negen uur in de avond te vertrekken. De eerste zestig km legde ik zonder moeilijkheden af in een colectieve taxi; we reden wel veel mensen voorbij die de 72 km helemaal te voet aflegden. Rond elven kwam ik op een grote pleisterplaats waar alle voertuigen bleven staan of vandaar terugkeerden. De handel was al helemaal op de pelgrims ingesteld en ik kon er een zaklantaarn kopen, hoewel er maan was, en wat proviand voor onderweg.

Voor de veiligheid had ik sociaal kontakt gezocht en ik liep met een jonge man die de pas er goed inhield. Ik had gemakkelijke kleding aangedaan en was dus niet herkenbaar als priester. Maar mijn tongval liet wel merken dat ik buitenlander was en zodoende kreeg ik van die jongen een hele uitleg en catechisatie over wat we aan het doen waren.
Het was rond half twee in de morgen toen we in Vilincar aankwamen. Mijn jonge gezel vertelde me dat we eerst naar de kerk moesten gaan om O.L. Vrouw te begroeten. Om half twee! Bezijdens de kerk was een deur open en er stond een rij mensen te wachten. Ja, om half twee in de morgen. Wij sloten aan. Na een kwartiertje wachten en vooruitgaan kreeg ik zicht op wat ik te doen had. We kwamen voor een soort altaar uit, verlicht met kaarsen en versierd met bloemen, waarboven het beeld van O. L. Vrouw van de Rozenkrans, in de rotswand. Op de onderste tree waren ongeveer acht personen geknield aan het bidden. Achter hen stond een man die na een tijdje op de schouders tikte, ten teken dat ze hun plaats moest afstaan aan de wachtende mensen. Alles gebeurde in serene stilte. Niemand was ongeduldig, niemand reklameerde. Er stond ook een collectebus waar men een bijdrage in kon doen, maar er werd niets ook maar gesuggereerd.    

Toen ik dus mijn morgengroet had gebracht, wist ik opeens niet wat nu te doen. Maar ik zag dat de hoofdingang van het kerkje geopend was en dat er iets ging beginnen. Het kerkje was niet veel moois; ik kreeg de indruk dat men eerst het beeld in de rots had geplaatst en dat men naderhand een dak van zinkplaten tegen die rots had geplaatst en de kanten had dichtgemaakt.
Plotseling, buiten, in de stille nacht, klonk trompetgeschal; een grote trom gaf het ritme aan, en een kleine trom vergezelde het. Een dansgroep maakte zich op.

Zo’n dansgroep is een godsdienstige vereniging, georganiseerd door leken. Wie er toe wil behoren doet een belofte om op het feest van Maria met de groep op bedevaart te gaan en daar hun dans uit te voeren. Elke groep heeft daarom een beeld van Maria, dat ze overal, op een draagbaar, mee naar toe nemen. Ze dansen altijd voor de H. Maagd en het zijn dus religieuze dansen. Ook heeft elke dansgroep zijn eigen muzikanten: blaas, trommel en fluitinstrumenten met veel kracht; zijn eigen dans, soms zeer heftig, en zijn eigen uniform of danskledij, dikwijls met heel veel fantasie gemaakt. De meeste groepen hebben van dertig tot vijftig dansers met een heel strakke leiding die een fluitje gebruikt om boven de muziek uit te komen. Er zijn groepen van alleen mannen en jongens, van alleen meisjes of alleen vrouwen, maar ook gemengde groepen.

Wat kwam die dansgroep nu doen om twee uur in de morgen? Zij kwamen O. L. Vrouw van de Rozenkrans hun ochtendgroet brengen. Zij stelden zich buiten op en begonnen te dansen; kwamen dan langzaam naar binnen; daar zeiden ze zingend gezamelijk hun morgengebed, langzaam en plechtig; en daarna dansten ze terug naar buiten, zonder zich om te keren. De gehele ceremonie duurde ongeveer twintig minuten. Maar waarom zo vroeg in de morgen? Omdat na deze groep alweer een ander klaarstond om ook hun morgengroet te brengen en hun dans uit te voeren. En na deze weer een ander. Drie groepen in het uur. Buiten stond iemand, om twee uur in de morgen, die het gebeuren organiseerde en een ieder wist zijn beurt af te wachten. Dit ging door, uur na uur, groep na groep, een fascineerd schouwspel van mensen die met een zichtbare eerbied en overgave baden tot “La Virgen”.  

Om vijf uur had ik de dansen van negen groepen gezien en besloot te proberen een dutje te doen. Ik ging het dorp uit en legde me ergens in het zand, maar slapen kon ik niet. Toen het licht begon te worden, keerde ik weer terug naar de kerk. Steeds weer andere groepen brachten er hun ochtendgroet wat duurde tot ongeveer twaalf uur, met onderbreking van de tijd voor de eucharistieviering. ’s Middags om twee uur begon het proces opnieuw, want dan werd door iedere groep de avonddans uitgevoerd, de avondgroet gebracht. En zo drie dagen. Volgens de krant zouden er tussen de dertig en veertigduizend mensen naar Vilincar komen, waaronder tussen de twintig en dertig dansgroepen. Sommigen bleven er drie dagen, anderen een kortere tijd.   
Om negen uur was de eucharistieviering; jammer genoeg hadden de meeste bedevaartgangers weinig begrip van een eucharistieviering en velen verlieten op dat moment de kerk. Maar ook de dienstdoende priester had weinig begrip van het dansgedoe. Hij had het geloof van de mensen niet ontdekt en in plaats van uit te nodigen en te bemoedigen, sprak hij met weinig waardering over de dansgroepen. Duidelijk kwam naar voren dat er twee kerken bestonden: een van de pastoor en een andere van de dansgroepen.

Het beeld was duidelijk: De organisatie van de bedevaartsplaats werd geleid door de leken. Mij leek dat ze het heft goed in handen hadden. De dansgroepen en hun organisatie waren leken, die hun godsdienstzin in de dans uitdrukten. Godsdienst en folklore hadden zich verbonden. Maar in dit geval was er geen band tussen de parochiepastoraal en de folkloristische geloofsbeleving van de mensen. Leken en priester verstonden elkaar niet.                   
Tegen twaalf uur was ik zo moe, dat ik besloot de reis terug te maken. Ik was een enorme ervaring rijker geworden. Die zou ik in twee punten kunnen samenvatten:
•    In deze verlaten plaatsen in de woestijn, waar geen priester constant aanwezig kan zijn, hebben de leken al sindslang geleerd het geloofsleven te organiseren en te leiden. Ze herhalen getrouw wat ze van de ouderen geleerd hebben, soms met sporen van hun voorchristelijke heidense gewoonten.
•    Het gevaar bestaat dat, bij gebrek aan vorming van leken en bij uitblijven van contact en uitwisseling tussen leken en priester, er twee vormen van kerk gaan ontstaan die elkaar niet verstaan.

DIT NU IN KWINTSHEUL
Hoe moeten we eigenlijk de taak van de vrijwilliger verstaan in de huidige en toekomstige nederlandse kerk? We kunnen het ook anders vragen: hoe zal de kerkopbouw zijn in de nabije toekomst van Nederland?
1.    Voor zover we het nu kunnen voorzien, gaat de kerk bestaan uit kleine gemeenschappen van gelovige mensen; gezien de huidige gebruiken van onze kerk (binding celibaat met priesterschap), zal er geen priester zijn voor elke gemeenschap, dus kan zij haar bestaan alleen verzekeren door de leken.
2.    De kerk kan alleen voortbestaan als ieder van haar leden een deeltaak op zich neemt. Het gaat er mijns inziens niet meer om dat er in de groep gelovigen “velen” zullen zijn die vrijwillig een taak op zich nemen; Het gaat erom dat “allen” die tot die kerkgemeenschap willen behoren, daarin een of andere taak willen vervullen.
3.    Het is dus fout, een vergissing, als iemand zegt: ik ben nu drie of vijf jaar vrijwilliger geweest, nu wil ik het een poosje zonder doen. Je zou moeten zeggen: ik ben nu drie of vijf jaar met een bepaalde taak belast geweest, nu zou ik graag een andere taak hebben.
4.    Maar dan moeten we erg rekening houden met wat een ieder kan doen, goed kan doen. Niet iedereen kan organist, zanger of lector zijn; we moeten letten op ieders capaciteiten en mogelijkheden.
5.    Er zijn dingen die we kunnen leren; op de eerste plaats moeten we allemaal beter ons eigen geloof leren kennen. Ik denk dat de studie van bijbel en geloof het meest nodig is. Daarnaast kunnen we ook vaardigheden leren.
6.    Het is van groot belang dat de geloofsgemeenschappen die dus uit leken gaan bestaan en door leken in stand moeten worden gehouden, hun band behouden met de herders van de kerk, priesters, bisschoppen en paus. Er mogen geen twee kerken gaan onstaan, die van de herders en die van de leken.

Is deze situatie nieuw in de kerkgeschiedenis?
Neen, ik geloof juist heel oud, dat wil zeggen, van het begin. We doen er heel goed aan hoofdstuk 12 te lezen van de eerste Korintiersbrief.          
•    Paulus vergelijkt de geloofsgemeenschap van Korinte met het menselijk lichaam: “Gij zijt het lichaam van Christus en ieder van u is een lid van dit lichaam”.
•    Zoals het lichaam bestaat uit vele verschillende ledematen, zo ook bestaan in de kerk verschillende charismas: gaven, vormen van dienstverlening, werken. “Een lichaam bestaat nu eenmaal niet uit één lid maar uit vele leden”.
•    In het lichaam zijn alle ledematen nodig en zijn elkaar tot steun; zo zijn in de kerk alle diensten, functies en gaven noodzakelijk en moeten elkaar ten dienste staan. “Het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb jou niet nodig”.
•    De vele ledematen maken maar één lichaam; zo ook wordt de kerk één gemaakt door de Geest. “Alles is het werk van een en dezelfde Geest, die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals hij het wil”.
Belangrijk is op dit moment te bouwen aan een geloofsgemeenschap die een kans inhoudt ook in de toekomst te bestaan.

Leo van Marrewijk

            

 
< Vorige   Volgende >
 
Deze maand
apr Mei 2012 jun
MaDiWoDoVrZaZo
   1  2  3  4  5  6
  7  8  910111213
14151617181920
21222324252627
28293031 
Negentig procent van de mensheid kan horen, misschien tien procent kan ook luisteren.
 
© 2012 Waterheul - Parochiefederatie RSS 2.0
Realisatie website: Westdesign.nl